Ik ben beginnen schrijven en schreef wat je een eerste hoofdstuk zou kunnen noemen van een verhaal, dat hopelijk de lengte krijgt van een (korte) roman. Ik keek naar het schriftje, teleurgesteld in mezelf. Waarom schreef ik in het presens? Het is zoveel eenvoudiger om over gedane zaken te schrijven. Maar misschien is de betrokkenheid van de lezer hoger wanneer ik in het nu schrijf? Ik kan toch niet meer veranderen, of wel? De woorden staan er, het schriftje is beklad, zijn bloempje is geplukt.
Stel dat ik doorzet en de woorden op papier zet, stel dat ik honderd(en) pagina's schrijf, herschrijf en min of meer tevreden ben met het resultaat, wie zal het dan lezen? Wie durf ik het te laten lezen? Wie zal geen oordeel vormen over de gedachten die ik op papier zette, wie zal mij niet vereenzelvigen met de ik-persoon die ik creƫerde. De persoon die in zoveel opzichten op mij lijken zal, maar dan donkerder, duisterder, een ik uit een ander universum, maar nooit ik, Sarah.Ik ben bang, een bewijs dat ik nooit de ik-persoon uit het verhaal kan zijn. Maar ik sloot een pact met het schriftje en schrijven zal ik. Langzaam, want een vulpen glijdt niet vlot over het papier. Maar op een dag bekom ik een resultaat en mensen zullen een oordeel vormen en zich misschien afvragen waar het mis ging.
En met opgeheven hoofd zal ik hen zeggen: "Ik ben niet de ik-figuur." en ze moeten het maar accepteren. Dat heb ik ook moeten doen.
