"Jaag je dromen achterna", dat mijn droom van deze nacht nooit werkelijkheid moge worden, denk ik dan:
Midden in een dorpje staat een oud, vervallen gebouw. Daar leef ik. Het dorp veracht me, haat me, ik vrees hen.
Ik verschuil me in het gebouw, de lichten zijn zelden aan en ik maak geen lawaai. Ik wil hen niet provoceren met mijn aanwezigheid.
Ik wacht op de dag dat ik ontsnappen kan. De auto die naast het gebouw staat rijdt niet langer en ik ben moederziel alleen. Ik zie geen uitweg.
Elke dag, op hetzelfde tijdstip, komt er een man op een paard langs. Een groot, donker, statig paard. Ze passeren langzaam, beiden starend naar mijn gebouw.
De ruiter draagt een indrukwekkend legervest, een masker voor zijn gezicht en een kaki arafatsjaal verstoppen zijn kin en mond.
Elke dag sluip ik naar het raam, met versleten, bruine rolluiken op spleetjes, en kijk ik naar hem.
De haren op mijn arm komen overeind en ik stop even met ademen.
Ik denk dat hij mij ook kan zien, met zijn donkere ogen, door het rolluik heen.
Elke dag passeert hij en gooit hij stenen naar het raam waarachter ik schuil. Met elke steen barst het raam een beetje meer. Tot op een dag enkel de oude, verrotte rolluiken een barrière vormen tussen het dorp en ik...
Geen opmerkingen:
Een reactie posten