zaterdag 19 mei 2018

De vrouw met de muizenblaas

Ik droomde dat ik langs een park liep, een park met zo'n grote ijzeren poort en verwilderde struiken. Het was al laat op de avond, de zon was onder en ik haastte me om voor middernacht thuis te zijn. Toen het park mijn pad kruiste, zag ik jou, in mijn hoofd. Gewoon een beeld van jou, lachend aan een kampvuur in dat park. Ik besloot je te zoeken, week van mijn pad af en wandelde de zwarte poort door.
'Oh, een wc, nog snel even binnen', dacht ik wanneer ik een versleten bordje zag hangen aan een vervallen stenen bouwsel. Ik liep de deur door die me naar een trap leidde, ik ging de trap af. Ik zag twee wc-potten, gescheiden door een met mos begroeide muur. De hengsels hingen er nog, de deuren niet meer. De grond was bezaaid met takken en bruine bladeren. 'Oh well, hier komt toch niemand binnen', ik nam plaats op de meest linkse pot. Zo zat ik niet tegenover de trap en kon ik nog op tijd recht springen wanneer ik iemand zou horen aankomen.
Ik hield de trap nauwlettend in het oog en deed mijn best zo snel mogelijk te plassen, maar dat valt niet mee wanneer je niet goed beschut bent.
Plots bewoog er iets recht tegenover me, geschrokken keek ik op, het was een kleine kraai, nog een peuter. Ik keek toe terwijl hij langzaam onder de bruine bladeren uit kroop, hij deed zijn bekje open en maakte een klagelijk geluid.
Ik voelde iets aan mijn rechterschouder, draaide mijn hoofd en slaakte een gil. Naast me hing een dode, jonge kraai te bungelen. Ik keek links van me, daar hingen er zelfs twee. Hoe had ik die over het hoofd kunnen zien toen ik ging zitten?
Het geluid van de jonge kraai, die nog vol leven zat, werd steeds luider. Snel trok ik mijn broek op, ik wilde weg. Wanneer ik richting de trap liep, vloog de jonge kraai op me af. Uit pure reflex greep ik hem in volle vlucht en smeet hem tegen de grond. Ik was nog maar drie treden de trap op of het klagelijke geluid was daar weer. Luider, kakofonisch, honderden vogels stormden op me af. Ik verloor mijn evenwicht. Ze trokken aan mijn oorlellen, pikten in mijn buik en deden zich te goed aan mijn ogen.
Ik bleef liggen, in die wc die alleen gespot kon worden door een vrouw als ik, de vrouw met de muizenblaas. En jij zat aan het kampvuur, nietsvermoedend. Het werd laat, opgetogen ging je naar huis, wat een fijne avond, je kon het niet weten.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten